oktober 2013

 

Licht zoekt materie


Als jongetje dacht ik dat steen uit zonlicht was gemaakt.

Dat had ik gezien in de stofdeeltjes dansend in de lichtstralen

door het raam naar binnen.

Ik dacht dat die stofdeeltjes stukjes licht waren waar

als ze zich ergens verzamelden en ophoopten

er dan een steen uit zou ontstaan.

Zonlicht maakte steen.

Op vakantie in de bergen werd mij door de glinsteringen

in het gesteente in de rotsen bevestigd dat de lichtdeeltjes

die ik in de lichtstralen door het raam naar binnen had gezien

werkelijk steen geworden waren en nog in het steen gevangen zaten.

Eerst werden steen gevormd dacht ik later bomen

en daarna al het andere wat leefde en vorm had.

De manier waarop de lichtdeeltjes zich verzameld hadden

was bepalend voor wat zich daaruit zou vormen.

Steen als gestold licht was onkwetsbaar maar bomen

en al het andere gevormde leven kregen te lijden onder hun bestaan.

Omdat ze groeiden en daardoor buigzaam waren, dat verklaarde de pijn.

Later schenen de lichtstralen door het raam naar binnen

op het etspapier, met daarop de ingeïnkte snippers zink

klaar om afgedrukt te worden.

Dat waren de stofdeeltjes in de lichtstralen, de deeltjes licht zelf.

Energievelden werden het, waarbij alle (licht)deeltjes gelijk aan elkaar waren,

hoe hun hoedanigheid of kleur ook was.

De kracht van alle zon – zinkdeeltjes  onderling bepaalde

wat er op de bladen gebeurde en in het drukwerk zichtbaar werd.

Wat ik verbeeld had was iets wat van dat ene moment was.

Alle andere momenten waren anders, hetzelfde anders.

Elk blad was eenmalig zoals het licht door het raam naar binnen valt.

Vele ramen en deuropeningen heb ik zo geschilderd en afgedrukt.

Duizend keer wel, telkens anders.

Fragmenten van het licht dat naar binnen valt.

Weer veel later zit ik achter het raam van mijn lege atelier waar door heen

het zonlicht zich naar binnen dringt en reist met de gaande tijd

over de vloer naar de tegenover het raam staande wand.

Die op dat moment als op een projectiescherm met de silhouetten

van de ramen, met het stille leven in mijn atelier,

de verschuiving van de middag naar de avond laat zien.

Verder niets, niets anders te doen dan daar te zijn en met het verschuivende

raamlicht de draaïng van onze aarde te zien.

Het silhouet van een vogel op een tak vliegt weg.

Binnenvallend licht laat ik tot gebeurtenis op het doek stollen.

Van binnen uit tijdloos gezien schep ik met mijn werk tijd.

Al is tijd niet te schilderen, niet in het horizontale niet verticaal.

Hier ben ik alleen met mijn naamloze werk wat mij toegang bieden tot

mijn eerste eenzaamheid,

ik schilder lichtpatronen op een niet verlicht pad.

zo zoekt licht naar materie.