Na eerst alle lampen één voor één te hebben aangedaan
Doe ik aan het eind van de avond met één knop alles uit.


*



Tekst bij de tentoonstelling: Werfkade 16 Hoogezand, 2005.


Elke snipper wordt geleefd

Wie het werk van de afgelopen tien jaar van John van de Rijdt bekijkt, ziet eerst vooral doeken met uitgesneden
fragmenten op schijnbaarwillekeurige wijze samengebracht. Dromerige landschappen, verstilde mensfiguren,
uitzichten op interieurs. Je begint je af te vragen wat het één met het ander te maken heeft. Welk verhaal
er verteld wordt door de in losse toets geschilderde man onder een boom naast een vage notie van een
muziekstandaard, een blok dat op een muur met vensters lijkt en een aantal platte kleurvlakken. Ieder fragment
lijkt een wereld op zich, als losgezongen noten in een partituur. Antwoorden komen er niet. Vragen des te meer.
Op enige afstand blijken alle flarden onderhevig aan een ordening die vooral door de lege tussenruimte gecreéerd
wordt. "Ik schilder over de meervoudigheid van het bestaan. Twee-en-twintig jaar heb ik in mijn atelier gewerkt,
grafiek gemaakt en doeken geschilderd. Daarnaast heb ik andere levens geleid. Je bent zoveel dingen in het leven,
"verklaart Van de Rijdt. "Ik heb mezelf daarin een weg geschilderd." In tegenstelling tot zijn grafiek zocht Van de
Rijdt in zijn schilderwerk altijd het verhaal. Bijna de anekdote. "Totdat ik besefte dat het onmogelijk is om te
schilderen naar de werkelijkheid. Dat het niet waar is. Toen ben ikdingen weg gaan schilderen. Want ik vond het
sentiment vals geworden.
En omdat de dingen op zich staan is er meer tussenruimte nodig."

Wending
Door dit inzicht kreeg het werk een belangrijke wending. De herkenbaarheid van dingen verdween. Oude doeken
werden overgeschilderd, alsof er een huid of een vlies overheen gespannen is, met daarin ritmische kleine
doorkijkjes. Hetzelfde gebeurt met nieuw werk. Van de Rijdt: "Ik schilder en schilder het weer over, en schilder
het verhaal weg, zodat er een nieuw beeld ontstaat. Niet omdat ik het wil ontkennen of dat het niet bestaat,
maar het ligt onder de huid." En onder de huid leeft en tintelt het. Van Dichtbij blijkt ieder fragmentje
zacht en gedetailleerd, van veraf in harmonie met de compositie. Ritme, vorm, kleur en structuur dansen op de
voorgrond, met de doorleefde aanwezigheid van alle lagen daaronder. Het werk is daarmee aanmerkelijk opener
en universeler geworden. Hier wordt de geest niet verleidt tot een zoektocht naar logische verbanden en
antwoorden op betekenisvragen. Hier wordt je uitgenodigd te kijken en neem je tevens iets meer waar over hoe
je eigenlijk kijkt.
"Elke snipper wordt geleefd zoals een schilderijtje, maar vanuit de voorstelling die er onder ligt."
Is het niet zo met alle beelden die we ons van de werkelijkheid vormen?

Linda Schregardus





*





* oktober 2013


Licht zoekt materie


Als jongetje dacht ik dat een steen uit zonlicht was gemaakt.

Dat had ik gezien in de stofdeeltjes dansend in de lichtstralen

door het raam naar binnen.

Ik dacht dat die stofdeeltjes stukjes licht waren waar

als ze zich ergens verzamelden en ophoopten

er dan een steen uit zou ontstaan.

Zonlicht maakte de steen.

Op een vakantie in de bergen werd mij door de glinsteringen

in de stenen in de rotsen bevestigd dat de lichtdeeltjes

die ik in de lichtstralen door het raam naar binnen had gezien

werkelijk steen geworden waren en nog in de steen gevangen zaten.

Eerst werden stenen gevormd dacht ik later bomen

en daarna al het andere wat leefde en vorm had.

De manier waarop de lichtdeeltjes zich verzameld hadden

was bepalend voor wat zich daaruit zou vormen.

Stenen als gestold licht waren onkwetsbaar maar bomen

en al het andere gevormde leven kregen te lijden onder hun bestaan.

Omdat ze groeiden en daardoor buigzaam waren, dat verklaarde de pijn.

Later schenen de lichtstralen door het raam naar binnen

op het etspapier met daarop de ingeïnkte snippers zink

klaar om afgedrukt te worden.

Dat waren de stofdeeltjes in de lichtstralen, de deeltjes licht zelf.

Energievelden werden het, waarbij alle (licht)deeltjes gelijk aan elkaar waren,

hoe hun hoedanigheid of kleur ook was.

Die eigenlijke kracht van alle zon – zinkdeeltjes bepaalde

wat er op de bladen gebeurde en in het drukwerk zichtbaar werd.

Wat ik verbeeld had was iets wat van dat ene moment was.

Alle andere momenten waren anders, hetzelfde anders.

Elk blad was eenmalig zoals het licht door het raam naar binnen valt.

Vele ramen en deuropeningen heb ik zo geschilderd en afgedrukt.

Duizend keer wel, telkens anders.

Fragmenten van het licht dat naar binnen valt.

Weer veel later zit ik achter het raam van mijn lege atelier waar door heen

het zonlicht zich naar binnen dringt en reist met de gaande tijd

van de dag over de vloer naar de tegenover het raam staande wand.

Die op dat moment als op een projectiescherm met de silhouetten

van de ramen, met het stille leven in mijn atelier,

de verschuiving van de middag naar de avond laat zien.

Verder niets, niets anders te doen dan daar te zijn en met het verschuivende

raamlicht de draaïng van onze aarde te zien.

Het silhouet van een vogel op een tak vliegt weg.

Binnenvallend licht laat ik tot gebeurtenis op het doek stollen.

Van binnen uit tijdloos gezien schep ik met mijn werk tijd.

Al is tijd niet te schilderen, niet in het horizontale niet verticaal.

Hier ben ik alleen met mijn naamloze doeken die mij toegang bieden tot

mijn eerste eenzaamheid,

ik schilder lichtpatronen op een niet verlicht pad.

zo zoekt licht naar materie.







SNIPPERS VAN EEN UNIVERSUM

Naar aanleiding van de tentoonstelling ‘Niet doen, maar toch’ van John van de Rijdt bij Galerie Block C, te Groningen, 14.05.16 - 18.06.16.


Vanuit mijn met zonlicht gevuld atelier, vanuit deze tijdruimte, ga ik nu langzaam in gedachten terug naar een nooit begonnen, onbeweeglijk niets, zonder tijd en ruimte. Vanwaar, uit dit niets, er een enorme oppervlaktespanning ontstaat dat het eerste moment in zich draagt. Hieruit maakt zich het eerste deeltje los; het eerste element. Door wetmatigheid en willekeur treffen vervolgens de vele losse elementen elkaar en vormen clusters, waarna deze nieuwe elementen op hun beurt weer samenklonteren. Zij verenigen zich tot een organisch geheel, waarin alles in harmonie is met het doel. Hieruit is alles ontstaan, tot aan dit schilderen, (schrijven).” (John van de Rijdt, 2014)

 

John van de Rijdt gaat in zijn werk uit van twee fundamentele houdingen: observeren en construeren. Hij observeert de dagelijkse werkelijkheid, maar registreert ook zijn eigen reacties op hetgeen hij waarneemt. Dit ‘visueel- en denkmateriaal’ gebruikt hij dan om beelden te maken die in elke decade van zijn leven enigszins andere kenmerken hebben. Zijn oeuvre toont dan ook de fases van zijn eigen beeldend universum dat geleidelijk aan de gewenste vorm aanneemt.

Hoe nauwkeurig John van de Rijdt ook in zijn dagelijkse omgeving rondkijkt, hij heeft deze nooit rechtstreeks gekopieerd, omdat hij er kritisch tegenover staat. Altijd heeft hij naar een andere, onafhankelijke werkelijkheid verlangd, zonder de beperkingen, geboden en verboden, waarvan hij zich los wilde maken. Eerst gebruikte hij nog sommige fragmenten van zijn omgeving, maar ging op den duur over op abstracties en zette ook onafhankelijke krachten in, zoals het licht van de zon of het toeval van dobbelstenen, om zijn werk te realiseren.

De wereld beschouwen, vereist soms letterlijke isolatie van de buitenwereld, waarmee John van de Rijdt al in de jaren zestig op de academie begon. Daar bouwde hij een cabine, volgens zijn eigen lichaamsmaten. Eenmaal in de cabine, die als een camera obscura werkte, kon hij het gebeuren op de academie, weliswaar op de kop, aan zich voorbij zien trekken. Hij verzette zich namelijk tegen de regels op de academie, hoewel hij nog binnen een kunstopleiding tot eigen werk trachtte te komen. Hierbij hanteerde hij het ook nu nog geldend adagium: ‘ik doe niet mee, maar toch…’ De cabine zorgde ervoor dat het licht de buitenwereld vormgaf, maar isoleerde de jonge kunstenaar ook voldoende om als een ‘eerste levens-cel’ het begin van zijn ontwikkeling als kunstenaar te garanderen.

Het idee van de cabine kwam voort uit de vissershut die de grootvader van John van de Rijdt aan de Afsluitdijk had gebouwd. Daar viste hij met een totebel (kruisnet) op kleine spieringen om van de opbrengst hiervan een groot gezin te onderhouden. De eigenzinnige, vrije levenswijze van de grootvader diende als voorbeeld voor de kleinzoon die alle conventies van zijn milieu en opvoeding achter zich wilde laten. Toen hij zich na de academie op het etsen toelegde, voelden al snel ook de regels van die techniek als beperkend aan. Dus knipte hij vanaf de jaren zeventig zijn etsplaten in vele, verschillend gevormde snippers die hij na het ininkten met een pincet op een ondergrond legde en afdrukte. In die tijd zag John van de Rijdt niet alleen de moderne maatschappij als zeer gefragmenteerd, maar ervoer hij ook zijn eigen sociale rollen als een versnippering van zijn persoonlijkheid. Op de een of andere manier moest er toch een samenhang mogelijk zijn! De gevarieerde composities van zijn etsen kunnen dan ook als metaforische pogingen worden opgevat om een omvangrijker geheel te bereiken, indachtig de wijze les van zijn grootvader: “als ik één visje kan vangen, kan ik de hele zee leegvissen”. Met diezelfde snippers bleef de kunstenaar zo’n twintig jaar grote bladen grafiek (80 x 105 cm) maken, waarvan elk exemplaar het moment verbeeldt dat de snippers in een bepaalde orde bijeenkwamen. Toen de rol van de grafiek leek te zijn uitgespeeld, begon John van de Rijdt te schilderen.

 

 De eerste schilderijen aan het begin van de jaren negentig, waren nog figuratief en toonden de directe leefomgeving van de kunstenaar. Al gauw kreeg hij echter last van de figuratie. Die vertelde een ‘verhaal’ dat volgens hem te klein en te privé was om ook toegankelijk te zijn voor anderen. Hij wilde naar een universeler beeld en ging vanaf 2000 de figuratie van zijn eerder werk weg-schilderen. In elk bestaand schilderij koos hij details uit die hij interessant vond en vulde de tussenruimte met een grijsblauwe of grijs roze kleur die als een mist overkomt, waarin de ritmisch geordende snippers veelkleurig oplichten (Neurostransmissie, 2007). Hier verkregen de snippers, die al in de etsen figureerden, een nieuwe rol. Het weg-schilderen zorgde ervoor dat het verhaal op de achtergrond trad, maar door de snippers onderhuids nog voelbaar bleef, analoog aan onze levensvisie die al onze nieuwe ervaringen van de werkelijkheid mee kleurt.

Het weg-schilderen was voor John van de Rijdt ook een belangrijke stap op een eigen weg die hij nog niet kende. Al vroeg wist hij echter dat hij geen vooropgezet plan wilde hanteren. De richting die zijn leven en werk moesten gaan, voelde hij wel, maar de weg zelf moest proefondervindelijk gevonden worden. In die tijd speelde het leven van John van de Rijdt zich voornamelijk af in zijn atelier dat de plaats van de vroegere cabines innam. Langzaamaan werden de snippers in de schilderijen groter en rechthoekig. Zittend in het vrijwel lege atelier observeerde de kunstenaar hoe de zon de raamopeningen op de achtermuur projecteerde. En omdat dit schouwspel gedurende de dag steeds verandert, legde hij het verloop van het licht per schilderij vast in 16 vlakjes die als frames van een film werken (vierluik, Alleen met het zonlicht, 2013). De zon zorgde voor de verschillend gevormde projecties van het licht en soms ook voor schaduwen van de meubels in het atelier; de taak van de kunstenaar werd nu om dit schouwspel te ordenen en in schilderijen te vertalen. En ook dit deed John van de Rijdt zo direct mogelijk door de breedte van zijn blokkwast te gebruiken om de vakjes en de projecties erop steeds met één streek lichtere verf op een donkerder ondergrond aan te brengen.

Voor het eerst kon hij in deze schilderijen de belangrijkste elementen van zijn wereld samenvatten en deze zodanig aan anderen tonen dat ook zij het in isolement observeren van abstracties als licht, schaduw en ruimte konden meebeleven en de universele oorzaak van dit alles konden vermoeden. Van daaruit werd het gemakkelijker om de nog verhalende aspecten van lichtprojecties en schaduwen los te laten. Eerst vermenigvuldigde de kunstenaar de vlakjes die de projecties droegen en maakte doeken met indelingen van 32 en 64 vlakjes (Licht zoekt materie, 2013), waarbij hij besefte dat hij min of meer tot de snippers was teruggekeerd. Deze keer miste hij echter geen vooropgestelde samenhang meer; de fragmenten werden bouwstenen voor zijn nieuwe orde.

Het leek erop dat het werk zelf de kunstenaar dwong om los te komen van zijn biografie en maatschappelijke omstandigheden en hem in staat stelde om te experimenteren met de constructie van een puur schilderkunstige werkelijkheid. Nu trad het verlangen naar het onbegrensde universum, waarin alles door wetmatigheid en toeval ontstaat, ook sterker op de voorgrond. Daarom gebruikte John van de Rijdt dobbelstenen bij het bepalen van alle horizontale/verticale indelingen en kleurvariaties van de vlakjes die samen de composities van de schilderijen uitmaken (The Joy of One, 2014). De afwisseling van de aaneen gepakte fragmenten zorgen voor een all-over structuur, waardoor de schilderijen hun mistachtige licht en bescheiden kleur verliezen en een sterker kleurkarakter vertonen (Patroon, 2015). Er was nog slechts één stap nodig om de bredere en smallere, horizontaal en verticaal gerichte snippers vrij te laten zweven in de nachtblauwe ruimte van zijn recent werk (tweeluik, Nachtvlinder, 2016). In deze schilderijen, die een grote vanzelfsprekendheid hebben, twinkelen de snippers als sterren in het diepe blauw dat, net als de nachtelijke hemel, verschillende kleurconcentraties kent.

Hoe deze nieuwe fase verder gaat, is niet te voorspellen, maar de observaties en constructies van al die jaren hebben duidelijk hun vruchten afgeworpen. John van de Rijdt kan zich gaan concentreren op het samenvallen van zijn denken over het universum met zijn eigen werkelijkheid, waarvan hij het karakter nu door en door kent. En ook al blijft hij kritisch ten opzichte van zijn dagelijkse omgeving, dit speelt geen rol meer in zijn werk. Hij is nu vrij om nieuwe snippers te vangen of te laten ontsnappen, nieuwe clusters en conglomeraten te vormen en zo zijn eigen schilderkunstig universum verder uit te bouwen.


Katalin Herzog

April 2016.